Column: Vibrato

20 april 2012

Vibrato of geen vibrato: dat is steeds weer de vraag als het gaat over de uitvoering van ‘oude’ muziek.

Hebt u de 'Matthäus Passion' bij ons gehoord, een paar weken geleden? Dan hebt u ongetwijfeld opgemerkt dat het orkest vrijwel vibratoloos speelde. Vibrato of geen vibrato: dat is steeds weer de vraag als het gaat over de uitvoering van ‘oude’ muziek. Het is in het orkest onderwerp van verhitte debatten, met rode hoofden en hoog geheven strijkstokken. Hoe zit het nu precies? Werd er in vroeger eeuwen inderdaad niet gevibreerd? Natuurlijk wilt u het naadje van de kous weten.

Mag ik even intiem worden? Toon maak je met je hand en strijkstok, of met je lippen en je adem. Ook de frasering van de muziek is helemaal hun zaak en daarmee is de kous af. Vibrato is dan een leuk, kleurig ribbeltje op de naad, meer niet.

Het vibrato is ouder dan de viool. Het gebruik er van is door de eeuwen heen onderhevig geweest aan tijdgeest, aan mode. Soms werd er volop gevibreerd, dan weer een tijd niet, of weinig. Ook waren er in het oude Europa van land tot land verschillen. Reis even met me mee.

In 1676 schreef de toen beroemde Engelse componist en luitspeler Thomas Mace dat hij vibrato een verrijking vond die altijd zou moeten worden toegepast - maar helaas was men in zijn omgeving volop tegen dat decadente tremolo, zoals het toen werd genoemd. De vermaarde Italiaanse vioolpedagoog Francesco Geminiani publiceerde in 1740 tijdens zijn verblijf in Londen The art of playing the violin, waarin hij het vibrato propageerde. Dat was tijdens de hoogtijdagen van het Belcanto, zangers in Italië vibreerden er op los. Kort daarna, in 1756, verscheen ten noorden van de Alpen het Versuch einer gründlichen Violinschule van Leopold Mozart, waarin de jonge vader tegen het vibrato ten strijde trok: ‘Es gibt schon solche Spieler, die bey jeder Note beständig zittern, als wenn sie das immerwährende Fieber hätten.’ In de protestantse wereld werd vibrato als zedenbederfelijk ervaren, wat er waarschijnlijk toe heeft geleid dat het stiekem toch werd gedaan.

Een paar generaties later trekt Nicolo Paganini door Europa als charlataneske vioolvirtuoos, die zijn publiek niet alleen ophitst met zijn duivelskunsten op de darmsnaren, maar het ook naar zijn hand zet met een verleidende, gevibreerde toon. Omstreeks dezelfde tijd, in 1831, schrijft violist en pedagoog Louis Spohr een vioolschool, waarin hij het vibrato negeert ten faveure van een andere versierende techniek: het portamento, zeg maar glissando. Weer drie generaties later, omstreeks 1910, moet de beroemde violist Joseph Joachim, die de vioolwerken van Brahms nagenoeg vibratoloos ten doop heeft gehouden, droevig constateren dat zijn leerlingen en masse voluit gaan vibreren, nota bene in combinatie met het hele spectrum aan glissandi. Luister naar Jascha Heifetz en u weet wat ik bedoel. In de loop van de jaren ’60 werd, misschien als reactie op de frivoliteit die bezit nam van de westerse wereld, uiteindelijk ook het miniemste, per ongeluk uitgegleden glissando verboden; dat werd nu als frivool ervaren, wat voorheen gold voor het vibrato. Het kan verkeren.

Nu weet u nog steeds niet of, toen bijvoorbeeld Bach zijn Matthäus in Leipzig uitvoerde, er gevibreerd werd. Het antwoord luidt waarschijnlijk ‘nee’, maar zoals we hebben gezien is eenduidigheid in deze kwestie niet vanzelfsprekend.
Ronald Touw

archief

Nieuwsbrief

Blijf op de hoogte van onze activiteiten en aanbiedingen. Meld u hier aan voor onze e-mailservice en nieuwsbrief.