Caecilia van Hoof, onze prominent aanwezige en muzikaal inspirerende celliste

Het is haast niet voorstelbaar, maar Caecilia van Hoof, onze prominent aanwezige en muzikaal inspirerende celliste, gaat met pensioen. Heel erg blij maakt het haar niet: “Ik voel dat ik nog jaren mee kan, en zou maar wat graag de nieuwe zaal willen meemaken!”

Veertig jaar heeft zij bij het Residentie Orkest gespeeld: een mensenleven lang. Hoe is de geboren Maastrichtse eigenlijk aan de cello geraakt?
“Ik had een muzikale moeder. Een oom van haar was de cellist Joseph Hollman, aan wie Camille Saint-Saëns zijn Tweede celloconcert heeft opgedragen. Ook mijn vader was erg muzikaal, hij heeft zichzelf tijdens de oorlogsjaren piano leren spelen, via Klavarskribo. Hij wilde niets liever dan dat zijn zes kinderen allemaal een instrument zouden spelen. Toen ik zeven was, zag hij in een boek over muziek uit de Renaissance een afbeelding van een viola da gamba. Die vond hij zo fraai, dat hij er een heeft laten bouwen en mij er op liet spelen. Maar er was nergens een gambaleraar! Uiteindelijk vond mijn vader een professor aan het conservatorium van Maastricht die als liefhebberij een beetje gamba speelde; van hem heb ik een paar lessen gekregen. Toen ik elf was, zei mijn vader dat ik misschien toch beter cello kon gaan spelen. Het duurde nog even, maar uiteindelijk ging ik naar een celloleraar, die zelf nog les had gekregen van Pablo Casals. Maar bij hem leerde ik vrijwel niets… Een groot solist is niet per definitie een goede leraar. En een leerling kan alleen tot bloei komen, als de relatie met de leraar vertrouwd en veilig is.”

Steunend op haar talent en wilskracht, ging Caecilia toch goed vooruit. “Op een dag hoorde de vioolleraar van mijn zusje mij spelen en zei: ‘Jij moet naar het conservatorium!’ Dus heb ik daar voorgespeeld en werd aangenomen.” Drie jaar lang was Caecilia leerling van Johan de Nobel, oud-leerling van Emanuel Feuermann. Na diens pensioen kwam zij bij Radu Aldulescu. “Bij hem ben ik echter al snel weggegaan. Omdat er verder geen celloleraren waren in Maastricht, heb ik violist Jo Juda gevraagd mij les te geven, maar dat wilde hij niet. Dus heb ik drie jaar lang, tot mijn eindexamen, alles zelf gedaan. Gelukkig had ik een vriend, een bassist/organist, die mij meenam naar concerten van bijvoorbeeld Nathan Milstein in Aken, Jean Paul Tortelier in Luik… Kijken, luisteren, leren! Uiteindelijk heb ik eindexamen gedaan met allemaal tienen.”

In de periode daarna gaf Caecilia les op drie muziekscholen tegelijk, en was tevens solocellist in het Kölner Kammerorchester. “Toen ik genoeg geld gespaard had, heb ik Tibor de Machula gevraagd mij les te geven. Hij vond mij eigenlijk te oud, hoewel ik pas begin twintig was, maar uiteindelijk heb ik privélessen gekregen, tot zijn dood twee jaar later.” Zij werd celliste (“3e stoel”) in het Limburgs Symfonie Orkest (L.S.O.), waarin ook André Rieu speelde. “Ik kende André toen al jaren. Vanuit het L.S.O. hebben we een salonorkestje geformeerd, waarmee we op scholen en in bejaardentehuizen speelden. Dat was het begin van het imperium van Rieu!”

Caecilia wilde het liefst een baan in het Concertgebouworkest of het Residentie Orkest. “Toen er in 1980 een proefspel was bij het Residentie Orkest voor plaatsvervangend solocellist, zeiden musici in mijn omgeving: ‘Dat lukt je nooit!’ Dit intimideerde mij zo, dat ik het proefspel heb afgezegd. Het proefspel leverde echter geen winnaar op, en de toenmalige directeur Ben van der Meer, nodigde mij per brief uit voor een tweede auditie. Mijn vader zei dat ik het kon, verder heb ik het stilgehouden en het proefspel gedaan. En gewonnen!”

Wat voor orkest trof je aan?
“Een trots, zelfverzekerd orkest, vol traditie en beschaving. Veel orkestleden spraken Frans met elkaar. De hiërarchie was heel sterk: aanvoerders moesten worden aangesproken met ‘u’. Alles ademde nog de sfeer van voormalig chef-dirigent Willem van Otterloo.” In het Residentie Orkest speelde ook violist Wybo van Biemen, haar latere echtgenoot. “Wybo was op slag verliefd op mij, maar ik niet op hem. Hij was steeds heel hoffelijk, noemde mij altijd ‘mevrouw van Hoof’. Omdat hij bij mij in de buurt woonde, reed ik vaak met hem mee als we een concert gaven buiten Den Haag. Tijdens de Amerika-tournee van 1982 werd ik verliefd op hem, en vier jaar later zijn we getrouwd. Wybo bracht twee dochters mee uit zijn eerste huwelijk. In 1988 werd onze zoon Daniel geboren, die nu ook violist is. Helaas is Wybo in 2007 overleden.”

Zijn er concerten die je altijd zullen bijblijven?
“Alle concerten met Yevgeny Svetlanov! Wat een geweldige dirigent was dat. Hij sprak ongeveer twee woorden Engels en Duits, communiceerde uitsluitend met minimale handbewegingen en haalde toch alles uit het orkest wat er in zat. Dat was pure magie, elk concert weer! Ooit priemde hij een vinger naar mij en zei: ‘Sie, blond… first chair!’ Dat vond ik een groot compliment.”

Is het orkest nu anders dan vroeger?
“Het individuele niveau van de strijkers is tegenwoordig hoger dan vroeger. Technisch is het orkest nu beter, er is meer discipline, en het klinkt prachtig. Maar vroeger had de orkestklank een soort gouden gloed, die zeer typisch was voor het Residentie Orkest. Misschien kun je dat de ‘Van Otterlooklank’ noemen?”

Wat zijn je plannen voor de toekomst?
“Mijn vriend is muziekproducent, hij heeft studio’s in Skopje, Kopenhagen en Los Angeles, en wil graag dat ik aan zijn producties meewerk. Natuurlijk kan ik nu vaker naar concerten van mijn zoon Daniel, dat is fijn. Ik heb ook een behoorlijk grote lespraktijk, die momenteel volledig via Skype en Facetime draait. En ik blijf mij ontwikkelen op de cello. Er zijn steeds weer masterclasses te volgen via YouTube, dat is zeer inspirerend!”

Ronald Touw

Caecilia met dirigent Nikolaus Harnoncourt (begin jaren tachtig)

Het Residentie Orkest repeteert o.l.v. vaste gastdirigent Alain Lombard (jaren tachtig)

Het Residentie Orkest o.l.v. chef-dirigent Yevgeny Svetlanov (jaren negentig)

De Residentie Orkest-tram (2016)

GA TERUG NAAR NIEUWSOVERZICHT