Een leven in muziek - Interview met violist Karel Ligtenberg – deel 1

Karel Ligtenberg musiceerde meer dan veertig jaar in het Residentie Orkest, als aanvoerder van de tweede violen. Nog immer energiek en scherp van geest is hij recent 95 jaar oud geworden. Karel heeft niet alleen het orkest na de Tweede Wereldoorlog mede opgebouwd; vóór de oorlog heeft hij nog mensen gekend die vanaf de oprichting in 1904 in het orkest gespeeld hebben. Redenen genoeg om met Karel te gaan praten, en hem daarbij uitgebreid aan het woord te laten.

Karel Ligtenberg werd op 30 mei 1925 geboren in Den Haag. Zijn vader, een ingenieur die onder meer werkzaam was bij de aanleg van de Afsluitdijk, stierf toen Karel zeven jaar oud. “Tot die noodlottige dag leefde ons gezin van een goed inkomen”, vertelt Karel, “en plotseling resteerde slechts een klein pensioen om van rond te komen. We waren echt arm, zoals veel mensen in die tijd. Maar mijn moeder vond dat wij één luxe moesten hebben: de muziek! Daarom kocht zij elk jaar een abonnement op het Residentie Orkest.”

Van zijn vader, die een verdienstelijk violist was, erfde Karel de liefde voor de viool. Dat leidde natuurlijk tot vioollessen, en dan kom je in Den Haag al snel het Residentie Orkest tegen. “Op mijn twaalfde speelde ik in het Hofstads Jeugdorkest. Daarin zat ook Hans de Roo, die later veel voor het Residentie Orkest zou betekenen. Wij zouden een Dubbelconcert van Vivaldi spelen, en we repeteerden bij Hans thuis. Daar ontmoette ik Hans’ vader, die al sinds de oprichting van het orkest, in 1904, aanvoerder was van de tweede violen!”

Ellendig
Tijdens de economische crisis van de jaren dertig, volgend op de Beurskrach van 1929, had de algemene armoede ook zijn weerslag op het orkest. De inkomsten uit de kaartverkoop waren laag, de lonen idem. Bovendien was er in die tijd nog geen pensioenregeling voor musici. “Je speelde maar door, tot je echt niet meer kon, en verviel dan in grauwe ellende. Bij mij in de straat woonde een oude violist, hij kon niet meer spelen. Met zijn vrouw huurde hij driehoog een zolderkamer. Hij had eerst nog een paar leerlingen, echter hun ouders vonden het maar niets, die oude man met jicht, met een versleten pak, lesgeven op die zolderkamer, dus dat hield ook op. Ik heb die man op straat horen verzuchten: ‘Als er één ding triest is, dan is het een oude muzikant’.”

Toscanini in Den Haag
Ondanks dat het Residentie Orkest in die tijd armlastig was, slaagde het er in de wereldberoemde dirigent Arturo Toscanini twee seizoenen op rij te boeken, in 1937 en 1938. Karel vertelt hoe dat is gegaan: “De topviolist Bronislaw Huberman, destijds een wereldster, bemoeide zich sterk met de oprichting van een symfonieorkest in Tel Aviv, in wat toen nog Palestina heette. Toscanini zou er het openingsconcert dirigeren. Er waren daar voldoende goede strijkers, maar goede blazers, dat was een probleem. Dus vroeg Toscanini aan Huberman: jij reist de hele wereld over, wie is de beste hoboïst? Huberman antwoordde: dat is Jaap Stotijn, in het Residentie Orkest van Den Haag! Dus werd Stotijn uitgenodigd, en die ging naar Tel Aviv. Daar ontmoette hij Toscanini, en hij vroeg hem of hij het Residentie Orkest zou willen dirigeren, ‘want mijn Haagse orkest heeft het erg moeilijk vanwege de crisis’. Tot zijn vreugde had Toscanini daar wel oren naar, en wel hierom: hij en Mengelberg hengelden beiden naar de positie van chef bij het New York Philharmonic. De baan ging uiteindelijk naar Toscanini. Die had ook wel zin om in Amsterdam te dirigeren. Welnu, dat ging natuurlijk niet. Maar als hij, vlak voor Mengelbergs neus, het concurrerende Haagse orkest zou dirigeren, ja, dat idee beviel hem!”

Oorlogsjaren
Omdat Karel in een overwegend universitair geschoolde familie was geboren, was het vanzelfsprekend dat hij, in de tweede helft van de jaren dertig, het gymnasium zou bezoeken. “Men vond het prima dat ik de muziek in wilde, maar eerst moest ik het gymnasium afmaken. ‘Dan kun je altijd nog een écht vak leren’, zei men.”
Ondertussen was zijn vioolspel al op een dusdanig niveau gekomen, dat hij les kreeg op het Haagse conservatorium, van violist Herman van der Vegt.
En plots brak de oorlog uit, Nederland werd door de nazi’s bezet. Hoe heeft Karel de oorlogsjaren beleefd? “Dat was voor mij een bevreemdende tijd. De angst die je voelde bij mensen. Joodse bekenden die je opeens niet meer zag. Ik heb daar een beetje langsheen geleefd, werd opgezogen door de viool, maar ook door alles wat het gymnasium mij bood. Het interesseerde mij allemaal enorm, vooral de Griekse en Latijnse klassieken. In 1942 heb ik eindexamen gedaan. Daarna dompelde ik mij meteen onder in alle vakken die ik op het conservatorium kon krijgen: harmonieleer, ensembleles van Leon Orthel, muziekgeschiedenis van een oom van mij… Ik vond het allemaal heerlijk!”

Arbeitseinsatz
“Begin ’43 kreeg ik een tamelijk dwingende uitnodiging mij te melden voor de Arbeitseinsatz. Dan zou ik moeten werken aan de Atlantikwall, of in een fabriek in Duitsland. Ik kon echter uitstel krijgen als ik vóór 15 juli eindexamen deed op het conservatorium, in mijn geval voor het docentschap. Nu, vioolspelen ging best aardig, en de rest ook, dus dat heb ik gedaan. Korte tijd later vernam ik dat je, als je in een symfonieorkest speelde, je zelfs vrijstelling van de Arbeitseinsatz kreeg. Het is buitengewoon ironisch dat de bezettende Duitse regering de kunsten serieuzer nam dan alle Nederlandse regeringen tot dan toe! Welaan, bij het Residentie Orkest was helaas geen plaats, dus heb ik het Rotterdams Philharmonisch Orkest gebeld. Eduard Flipse, de dirigent daar, zei: ‘Wij kunnen nog een paar goede violisten gebruiken! Kom morgen maar wat voorspelen.’ Dat heb ik gedaan, en ik kon de volgende ochtend aanschuiven bij de tweede violen.”
“Eduard Flipse was een bijzondere man. Hij had voor elkaar gekregen dat musici van de Koninklijke Militaire Kapel, die in krijgsgevangenschap zaten, vrijgelaten werden om in het RPhO te spelen. Veel van hen, plus veel vaste musici uit het RPhO, woonden in Den Haag. Met het Hofpleintreintje reisden we samen op en neer naar Rotterdam, wel veertig musici, en dat was reuze gezellig!”

Opnames in Den Haag
De concertzaal in Rotterdam was platgegooid, daarom werd er geconcerteerd in een kerk. Voor grammofoonopnamen werd echter uitgeweken naar Den Haag. “Daar speelden wij, tot mijn grote genoegen, in het Gebouw voor Kunst en Wetenschappen. Dat was een grote zaal, met drie balkons boven elkaar. Er pasten wel 2500 luisteraars in, en die werden niet alleen getrakteerd op concerten, maar ook op opera’s.
Zo’n grammofoonplaat, met in die tijd per zijde vier minuten muziek, werd ‘live’ meegesneden, dus als er iets niet goed ging, moest alles opnieuw. Ik herinner mij dat we een symfonisch gedicht van Richard Strauss opnamen, en het ging erg goed. Maar toen we bij de slotakkoorden kwamen, klonk plotseling het luchtalarm. Zo ging dat in die dagen…”

Gevlucht
“Na Dolle Dinsdag, 6 juni 1944, was het afgelopen met het reizen. Sterker: mensen beneden de veertig liepen kans zomaar opgepakt te worden en opgesloten. Ik ben toen ondergedoken. Tijdens de strenge winter van ’44-’45 kwam ik ‘s avonds soms even buiten, om hout te sprokkelen in de Scheveningse Bosjes. We hadden een meneer Orobio de Castro in huis, een Joodse man. Die is maart 1945 verraden, en samen met mijn moeder gevangengenomen. Ons huis is toen geplunderd, ze hebben alles kapot geslagen. Er waren toen geen transporten meer naar de concentratiekampen, mijn moeder liep echter groot gevaar gefusilleerd te worden op de Waalsdorper Vlakte. Ik was gevlucht naar familie in Leiden, maar ik kon daar niet blijven. Uiteindelijk heb ik ergens in Oegstgeest de bevrijding afgewacht.”

Parijs
“Kort na de bevrijding heb ik mijn vioollessen bij van der Vegt voortgezet, en heb in november 1945 examen gedaan voor het solistendiploma. Ik speelde mijn examen in K&W, dat was een mooie ervaring! Daarna kreeg ik de kans te studeren voor de Nederlandse Prix d’Excellence. Omdat ik ook wat moest verdienen, solliciteerde ik bij het Residentie Orkest en werd aangenomen. Ik heb er echter maar heel kort gespeeld, want ik won een beurs voor een jaar studie in Parijs, bij de in die tijd zeer bekende violiste Janine Andrade. Zij bleek een zeer strikte lerares, en het was voor mij een leerzaam jaar.”

Terug naar Nederland
“Na terugkeer in Nederland werd ik gebeld door het Noord-Hollands Filharmonisch Orkest: of ik er misschien plaatsvervangend concertmeester wilde worden? Ik had niets omhanden en heb ja gezegd. Maar ik vond het daar niet leuk. We moesten bijvoorbeeld vijf keer per week naar Amsterdam om er een theatervoorstelling van de Gijsbrecht van Amstel te begeleiden, en de klucht De bruiloft van Kloris en Roosje. Bovendien waren er in die tijd maar weinig goede musici in dat orkest. Eer het seizoen om was, heb ik ontslag genomen. Ik ben gewoon weer gaan studeren. Korte tijd later belde het Residentie Orkest; of ik wilde remplaceren tijdens een korte tournee naar Engeland. Daar had ik wel oren naar!”

Kort na deze tournee – waarover in het volgende deel meer – werd Karel Ligtenberg opnieuw lid van het Residentie Orkest. En dit keer bleef hij, tot aan zijn pensioen in 1990.

Ronald Touw

Karel Ligtenberg wordt op zijn 95ste verjaardag muzikaal gefêteerd door twee musici van het Residentie Orkest, Janet Krause en Caecilia van Hoof.

Tweede violisten W.F. Broer van Dijk en Louis de Ruyter met daarachter Karel Ligtenberg (eind jaren veertig?).

De wereldberoemde dirigent Arturo Toscanini dirigeert het Residentie Orkest (1937/1938).

GA TERUG NAAR NIEUWSOVERZICHT