Toelichting Weihnachtsoratorium

In de eerste jaren dat Johann Sebastian Bach in Leipzig de functie van Thomascantor vervulde, schreef hij maar liefst vijf jaargangen cantates voor de zondagse eredienst in de Thomas- of de Nikolaikirche. Wekelijks voorzag hij een lutherse dienst van nieuwe muziek die naadloos aansloot op het thema van de (meestal langdurende) preek, afwisselend in één van beide kerken. Op religieuze feestdagen werd er van de muzikaal leider uiteraard iets extra’s verwacht: een Magnificat, Johannes-, Matthäus- of Markus-Passion. In de winter van 1734-1735 schreef Bach serie van zes samenhangende cantates rondom het kerstverhaal uit de evangeliën van Lucas en Mattheüs. De hele kerstcyclus werd uitgevoerd op afzonderlijke dagen (de drie Kerstdagen, Nieuwjaarsdag, de zondag daarna en op het Driekoningenfeest), maar was door Bach desalniettemin kunstig tot een eenheid gesmeed: het Weihnachtsoratorium.

Alle cantates vertellen elk een deel van het verhaal. De eerste cantate gaat over de geboorte van het kindje Jezus, in de tweede staat de verkondiging van het blijde nieuws aan de herders centraal, en de muziek voor derde kerstdag volgt de herders als zij daadwerkelijk bij de stal in Bethlehem langsgaan. En zo gaat het verder tot in de zesde cantate de drie wijzen uit het oosten de vijandige listen van Herodes omzeilen om hun geschenken aan het pasgeboren kind aan te bieden.

‘Jauchzet, frohlocket!’ begint de jubelzang ter ere van de geboorte van Jezus. Veelschrijver Bach kon hier perfect een eerder uitgevoerde cantate recyclen. Een jaar daarvoor klonk in het koffiehuis van Gottfried Zimmermann in Leipzig deze muziek namelijk al, ter ere van de verjaardag van Maria Josepha, keurvorstin van Sachsen. Echter met een andere tekst: ‘Tönet, ihr Pauken! Erschallet Trompeten!’ (BWV 214). De pauken en trompetten spelen in het kerstoratorium nog steeds een hoofdrol.

Bach verzorgde regelmatig muziek voor dergelijke gelegenheden, zoals verjaardagen of geboorten aan het Dresdense hof. Een groot aantal aria’s en koren in het oratorium bestaat uit bewerkingen van zulke gelegenheidscomposities. Hiervoor liet Bach nieuwe teksten schrijven (waarschijnlijk door Picander, bekend van de ‘Matthäus Passion’) en paste de toonsoorten en waar nodig de orkestratie aan. Zo voegde hij omwille van de pastorale klank recente Leipzigse uitvingen als de oboe d’amore en oboe da caccia toe. Deze techniek van het parodiëren van eerdere stukken was heel gangbaar in Bachs tijd. Toen echter vanaf 1829 de Berlijnse Sing-Akademie onder Felix Mendelssohn de grote partituren van Bach opnieuw ging uitvoeren, waren de esthetische idealen veranderd. Het oratorium werd vanwege het hergebruik van ouder materiaal als weinig origineel en dus oninteressant afgedaan. Uiteindelijk heeft het nog tot 1857 geduurd voor het Weihnachtsoratorium voor het eerst weer klonk.

Tegenwoordig is het werk niet meer weg te denken uit de kersttijd, niet in de laatste plaats vanwege vele niveaus waarop het stuk te beleven is. In Leipzig heerste een felle twist over de lutherse doctrine en door op verschillend niveaus te werken wist de Thomascantor beide partijen tevreden te stellen. Terwijl de objectieve leer van Luther meende dat alleen de door de bijbel geopenbaarde waarheid volstond, beriepen de piëtisten zich op een subjectieve, persoonlijke devotie. Naast de evangelietekst in de verhalende recitatieven, schiepen componist en librettist in de aria’s ruimte voor contemplatie en persoonlijke betekenis. Door de voor ieder bekende koralen liet Bach de participerende gelovigen steeds weer ervaren hoe de grootse thema’s tegelijk ook in iedere luisteraar plaatsvonden, hier en nu.

Frans Boendermaker

GA TERUG NAAR NIEUWSOVERZICHT